
Bij deze drie vormen van verplichte hulp is het algemene kenmerk dat de jongere zodanig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, dat ingrijpen van buitenaf noodzakelijk is. Bij de ondertoezichtstelling (OTS) en voogdij, wordt dit ingrijpen altijd getoetst door de rechter, die in een rechtszitting bepaalt of er een maatregel voor kinderbescherming wordt uitgesproken. Bij de jeugdreclassering is sprake van crimineel gedrag van jongeren, waarbij sprake kan zijn van een strafrechtelijke interventie. Er wordt al dan niet door tussenkomst van de rechter begeleiding door de jeugdreclassering opgelegd.
In alle gevallen zijn onze interventies erop gericht om bedreigende situaties voor jongeren te voorkomen, verminderen of op te heffen. Waar nodig streven we ernaar om crimineel gedrag van jongeren terug te dringen. We werken actief aan de mogelijkheden om de jongere op te laten groeien in het eigen gezin. We beogen de ouders de eigen verantwoordelijkheid te laten nemen. Onze hulp is echter niet vrijblijvend en als de situatie daarom vraagt, grijpen we in. Dit betekent dat ook bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering sprake is van het inschakelen van andere jeugdzorgvoorzieningen, zoals dit staat beschreven onder het kopje "Hoe gaat het verder?".
De Raad voor de Kinderbescherming bepaalt of zij een verzoek aan de kinderrechter doet voor een ondertoezichtstelling. De ouders hebben dan nog maar beperkt gezag over het kind. Wij proberen, zoveel mogelijk in overleg met de ouders en, afhankelijk van de leeftijd, ook met het kind, te bepalen wat er moet gebeuren. Het kan dan nodig zijn dat andere (jeugdzorg)voorzieningen worden ingeschakeld. In principe wordt het belang van het kind voorop gesteld. Ouders mogen deze hulp niet weigeren. In de praktijk levert dat soms spanningsvolle situaties op. We blijven ernaar streven om ouders te overtuigen van de noodzaak van de hulp. Indien noodzakelijk zetten we hulp door tegen de wil van ouders in. Dit wordt echter steeds getoetst door de kinderrechter.
Als de ouders uit de ouderlijke macht worden ontheven omdat zij, om wat voor reden dan ook, niet meer voor hun kind kunnen zorgen, dan krijgt Bureau Jeugdzorg de voogdij over dit kind. De ouders hebben dan dus geen gezag meer over het kind. De beslissing hierover wordt genomen door de kinderrechter. Bureau Jeugdzorg bepaalt dan door wie het kind wordt opgevoed en houdt daar toezicht op. De ouders worden geïnformeerd hoe het met hun kind gaat en er wordt, indien mogelijk, bezoekcontact tussen ouders en kind(eren) afgesproken. Het is doorgaans wel in het belang van ouders en kinderen om contact te onderhouden, maar er kunnen redenen zijn om dit niet te doen, zoals na extreem geweld of bij ernstige psychiatrische stoornissen bij de ouders. De ouders hebben ook hierover geen beslissingsbevoegdheid meer. De voogdijmaatregel loopt in principe tot aan het achttiende jaar, de meerderjarigheid van de jongere dus.
Als een jongere verdacht wordt van het plegen van een strafbaar feit of daar al voor veroordeeld is, kan de Raad voor de Kinderbescherming, de kinderrechter of het Openbaar Ministerie beslissen dat hij begeleiding krijgt van de jeugdreclassering. De begeleiding is verplicht en richt zich zowel op het pedagogisch belang van de jongere als op het voorkomen of verminderen van recidive. De jeugdreclasseerder die de jongere begeleidt, zal er samen met hem keihard aan werken dat hij niet opnieuw met de politie in aanraking komt. Het belang van de jongere staat hierbij voorop. Er wordt gezamenlijk een plan van aanpak gemaakt, waarbij ook de ouders worden betrokken. Daarin komen, behalve de door de jongere begane overtreding en de gevolgen daarvan, ook zaken in voor als opleiding of werk, vrijetijdsbesteding, vriendengroep en thuissituatie. De jeugdreclasseerder helpt bij het maken van keuzes en bij het weer oppakken van de opleiding. Ook de ouders kunnen de jongere daarbij helpen en stimuleren. De jeugdreclassering controleert ook of de jongere zich aan de afspraken houdt en rapporteert aan het Openbaar Ministerie.