
Nadat we, samen met de ouder en, afhankelijk van de leeftijd, ook met het kind hebben vastgesteld welke hulp het meest passend is, bespreken wij wie die hulp zal gaan verlenen.
Afhankelijk van het probleem, verlenen we die hulp zelf, of verwijzen we door naar andere jeugdzorginstellingen. Als er bijvoorbeeld sprake is van ernstige psychische problemen bij het kind, waarvoor speciale therapie nodig is, kan het beter zijn dat bijvoorbeeld de Jeugd-GGZ de hulpverlening voortzet. Ook kan ervoor gekozen worden om de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te laten doen, wanneer het kind zich niet goed kan ontwikkelen en vrijwillige hulp geen resultaat geeft. Gelukkig komt het vaak voor dat de problemen snel zijn op te lossen met enkele gesprekken en dat verdere hulp niet nodig is.
Soms is een zwaardere of langdurige vorm van hulpverlening nodig en zullen deskundigen buiten Bureau Jeugdzorg ingeschakeld moeten worden. Dit wordt geïndiceerde zorg genoemd. Voordat we hierover, zoveel mogelijk in samenspraak met jongere en ouders, een rapport schrijven, tekenen jongere en/of ouders hiervoor een formulier. Hierin geven ze aan dat ze deze hulp zelf willen. Bij kinderen onder de 12 jaar tekenen alleen de ouders dit formulier. In dat rapport komt te staan welke hulp nodig is, hoe lang wij denken dat de hulp zal gaan duren en wie die hulp het beste kan geven. Dat heet een indicatiebesluit en is een officieel document, dat recht op zorg geeft. In de wet staat dat andere jeugdzorgvoorzieningen verplicht zijn om die hulp dan ook te geven. Dit is bijvoorbeeld het geval als een kind (tijdelijk) niet meer thuis kan wonen en naar een pleeggezin, internaat of kamertrainingscentrum gaat. Ook als bijvoorbeeld de Jeugd-GGZ de hulpverlening voortzet, geven wij het indicatiebesluit af. Hiermee kan het recht op jeugdzorg dus verzilverd worden. In de meeste gevallen blijft de medewerker van Bureau Jeugdzorg wel de vaste contactpersoon.